1892


Een terugblik op het Klarendal van toen.

Ditmaal gaan we terug naar het jaar 1892 en kunnen aan de hand van een vraaggesprek, dat Zuster Pietje met leden van de Staatscommissie had, een kijkje krijgen in het Klarendal van die tijd.

Op 19 januari 1890 werd bij wet een Staatscommissie ingesteld, die tot doel had door onderzoek informatie te verkrijgen over ondermeer de sociale leef- en werkomstandigheden van de arbeidende klasse. Toen de commissie in 1892 Arnhem bezocht, werd een aantal personen gevraagd aan dit onderzoek mee te werken, waaronder de (wijk)diacones Petronella Catharina Droste, beter bekend als Zuster Pietje.
In oktober 1890 werd "Wijkvereeniging Klarendal" opgericht met als doel armen zieke mensen in hun eigen woning te verplegen en de familie met raad en daad bij te staan. In 1890 volgde Zuster Pietje de tijdelijke zuster op en werd de eerste wijkdiacones in Klarendal. Zij woonde en werkte vanuit het wijkhuis, gelegen aan de Catharijnestraat 33.

Zuster Pietje vertelde de hoge bezoekers uitgebreid over de erbarmelijke woontoestanden in Klarendal. De meesten huizen hadden slechts een kamer, waarin vaak ook nog werd gekookt, gewassen en geslapen. Het vraaggesprek dat de heren van de commissie met de wijkdiacones hadden is hieronder te lezen.

V Behoort gij tot het diaconessenhuis in de Bovenbrugstraat en tot de wijkvereeniging Klarendal?
A
Juist
V
Welke is de taak der wijkdiaconessen?
A
Het verplegen der armen in hunne eigen woningen
V
Wonen zij daartoe in wijken, waar veel behoeftigen gevestigd zijn?
A
Ja
V
Hoeveel wijkdiaconessen zijn er te Arnhem?
A
Twee. De ene woont in de Bergstraat, en ik woon in Klarendal, waar volstrekt geen gegoeden wonen.
V
Hebt gij thans niet te maken met de verpleging in het diaconessenhuis?
A
Neen, maar ik blijf aan het diaconessenhuis verbonden, dat dan ook het recht heeft mij terug te roepen. Ik sta overigens onder een ander bestuur.
V
Onder het bestuur der wijkvereeniging, waarvan de heer Van Woerden voorzitter is?
A
Juist
V
Op welke wijze wordt uwe taak nader bepaald?
A
Ik word door de hulpbehoevenden zelf geroepen en niet daarheen gezonden.
V
Bezoekt gij ook uit eigen beweging de gezinnen, om te kennen te geven, dat gij in geval van nood beschikbaar zijt?
A
Ja wel.
V
Zijt gij dus met de arme gezinnen in Klarendal goed bekend?
A
Tamelijk wel. Het is met November pas een jaar dat ik hier woon.
V
Hoe zien die woningen in die wijk er uit?
A
Allertreurigst; over het geheel ongeschikt voor menschen om in te huizen.
V
Zijn er vele arbeiderswoningen in Klarendal die maar één vertrek hebben?
A
De meeste hebben één kamer en nog een achterhokje.
V
In elk geval slechts ééne haardstede?
A
Juist.
V
In het achtervertrekje wordt dus niet gekookt?
A
Eigenlijk niet. Meest dient het als bergplaats en het wordt ook veel gebruikt om de kinderen in te laten slapen. Onlangs ben ik nog in zoo een keukentje geweest, waar aan den eenen kant de kinderen sliepen en aan den andere kant de varkens.
V
Dient de woonkamer dus ook voor keuken en waschhuis?
A
Ja.
V
Moet ook wel het geheele gezin in de woonkamer slapen?
A
Ja, wanneer er geen keukentje is. Ik heb wel eens bevonden, dat de kinderen in een hangkast sliepen.
V
Hebben deze gebrekkige woningen een zolder?
A
Heel weinig. Wanneer er twee verdiepingen zijn wonen er mensen boven.
V
Hoeveel gezinnen wonen er dan wel in één huis?
A
Meest twee.
V
Hoe is de voeding?
A
Dikwijls allertreurigst. Juist in Klarendal wordt veel misbruik gemaakt van sterken drank, niet alleen door mannen, maar ook door vrouwen. Het kan hun dan eenvoudig niet schelen, wat er in de toekomst van de kinderen wordt. Er moest eene wet zijn, dat de kinderen tot hun 13e of 14e jaar op school bleven.
V
Werken die vrouwen buitenshuis?
A
Ik ken er weinig, die het geregeld doen.
V
Zijn de vrouwen in die gezinnen eenigszins bekend met nuttige handwerken?
A
In het geheel niet.
V
Hebben zij er op school geen onderricht in gehad?
A
Zij willen niet leren.
V
Hebben zij in het geheel niet school gegaan?
A
Dat wel, maar zij moesten volgens hun zeggen vroeg thuisblijven.
V
Hebt gij de indruk, dat hier ter stede op de scholen veel werk wordt gemaakt van de nuttige handwerken?
A
De resultaten zouden het niet zeggen. Als ik vraag, waarom de kinderen niet schoolgaan, is het antwoord: ik kom er zonder dat ook, en mijne kinderen moeten het ook maar zien te doen. Ik heb daarom zelve eene naaischool opgericht.
V
De heer Van Alphen: De kleding is zeker ook slecht?
A
Ja.
V
De Heer Reeling Brouwer: Zijn er vele kroegen in Klarendal?
A
Zeer veel.
V
Gaan de vrouwen daar ook heen?
A
Zij gaan er heen met de flesch in den zak, soms wel zesmaal per dag.
V
De Voorzitter: Tot welke maatschappelijke klasse behooren deze lieden? Zijn het losse arbeiders?
A
Ja, veelal.
V
Komt het wel voor, dat zij hun loon in kroegen ontvangen?
A
Ja, dat heb ik wel gehoord, doch zeker weet ik het niet.
V
Hoe is de verstandelijke ontwikkeling der bevolking, waaronder gij u beweegt?
A
Heel slecht.
V
Kunnen zij in den regel lezen en schrijven?
A
Ja, doch een groot deel niet.
V
Zijn zij meerendeels hier geboren of komen zij van elders?
A
Meerendeels zijn zij van hier.
V
Gij hebt gesproken van de wenschelijkheid van leerplicht, met het oog op de onverschilligheid van vele ouders voor de toekomst hunner kinderen. Meent gij, dat de toestand der gezinnen geen beletsel daartegen zou opleveren? Moeten de kinderen niets verdienen?
A
Enkelen wel, doch voor de meeste gezinnen niet. Het zou best gaan.
V
Acht gij het noodzakelijk?
A
Ja, voor de toekomst der kinderen. De ouders zijn er te onverschillig voor. De kinderen loopen doorgaans op straat.
V
Om te bedelen?
A
Neen, dat zijn slechts enkelen.
V
Houdt gij zelve de naaischool, waarvan gij gesproken hebt?
A
Ja.
V
Gaat dit wel goed samen met het vervullen van uwe taak als wijkdiacones?
A
Eigenlijk heb ik er geen tijd voor, doch ik heb het gedaan om der wille van de kinderen. Ik spoor haar aan geregeld de school te bezoeken.
V
Geschiedt dit ook?
A
Ja, als ik er achter zit.
V
Staat gij alleen voor de naaischool?
A
Als ik uit moet, komt er eene dame in mijne plaats, maar ik geef toch het onderwijs.
V
Zijn er gewoonlijk vele zieken?
A
Thans niet; in de twee vorige maanden had ik er 26 na te loopen, wat voor één mensch wel te veel is, maar 't Huis kan geen menschen meer ter beschikking stellen.
V
De Heer Reeling Brouwer: Wordt gij dikwerf  's nachts gehaald?
A
Zelden. Ik loop zoo de zieken na, en heb gelukkig eene goed voorziene kas, waarover ik beschikken kan om in verschillende behoeften te voorzien. Evenwel geld geef ik zelden, tenzij ik de menschen al heel goed kan vertrouwen.
V
De Voorzitter: Verleent gij hulp zonder onderscheid van godsdienstige belijdenis?
A
Ja, die mij roept, kan mij krijgen.
V
Hebt gij den indruk, dat er thans meer armoede wordt geleden dan vroeger?
A
Dat kan ik niet beoordelen. Op dit oogenblik is er nog al werk.
V
Kunnen de lieden gemakkelijk geneeskundige hulp bekomen?
A
De meesten zijn in een zieken- en begrafenisbus; van de stad worden zij ongaarne geholpen.
V
Doet die ziekenbus ook wekelijksche uitkeeringen?
A
Ja, f 1,50 per week, gedurende hoogstens zes achtereenvolgende weken.
V
Hoeveel moeten zij  daarvoor betalen?
A
Er zijn twee bussen, een van 25 cts. per week en een van 18 cts.; in de eerste heeft men de keus van een dokter, in de tweede niet.
V
Kent gij armen, die zich deze uitgaaf niet kunnen veroorloven?
A
Zoolang zij het kunnen volhouden, blijven zij in zulk een bus. Ik ken er echter verscheidenen, die een armenkaart op het gemeentehuis halen.
V
Vinden dezen, dat de dokter spoedig en dikwijls genoeg komt?
A
Er wordt nog wel eens geklaagd, maar de menschen zijn ook nog al veeleischend. Wie niet in een bus is, kan bovendien gemakkelijk een dokter van de stad krijgen.
V
De Heer Van Alphen: wie komt u roepen, als men uwe hulp begeert?
A
De man of de vrouw, soms ook de buurlieden.
V
Gij fungeert natuurlijk ook wel in gezinnen, waar de man minder helder van geest is ten gevolge van drankmisbruik; hept gij daar nooit eens last gehad van onheusche bejegening?
A
Neen, daarover valt niet te klagen. Zelfs wanneer ik de menschen eens goed hun plichten onder het oog breng, zijn zij zeer bescheiden, maar de resultaten zijn helaas zeer gering
V
Kunt gij ook nog al goed met de kinderen terecht in de gezinnen, waar gij een zieke verpleegt; zijn zij gezeggelijk?
A
Ja, dat gaat wel; als men pleegzuster is, schijnt het, of men een heel ander mensch is voor hen.
V
Ontmoet gij nog al erkentelijkheid voor uwe hulp?
A
Er zijn helaas vele onverschilligen; ik heb menschen gehad, die eenvoudig zeiden: gij zij er voor. Het komt wel voor, dat als ik beddegoed heb gegeven en ik kom kijken, of het goed onderhouden wordt, het weg is en ik zeer onaangenaam word bejegend.
V
Brengen zij het goed dan naar de bank van leening?
A
Ja, als men niet geregeld er naar komt kijken. Niettegenstaande ik altijd het beddegoed in leen geef, is het, wel eens weg, wanneer ik 8 dagen oversla met mijn bezoek.
V
De verzoeking is zeker vooral groot, omdat er aanbrenghuizen zijn voor de bank van leening?
A
Ja, dat geeft aanleiding tot veel geknoei; de winkeliertjes beleenen dan later ook nog de lombardbriefjes, want op die verrichtingen zit groote winst.
V
Uit uwe mededeeling betreffende het uitbetalen van loonen in kroegen zou men ook kunnen opmaken, dat die werkgevers in verbinding staan met de kroeghouders?
A
Dat kan wel.
V
Stelt gij u zelfs bepaalde werkuren?
A
Neen. ik werk tot mijn werk gedaan is.
V
De Heer Reeling Brouwer: Hebt gij zelve een goede, frisse woning?
A
Ja.
V
Is de bijstand bij bevallingen goed?
A
Niet altijd; ik heb wel gevallen bijgewoond, dat ik geroepen werd en de vrouw wel geholpen, maar nog niet gereinigd was; ook wel, dat de vroedvrouw eerst na drie dagen voor de tweede maal terugkwam. Over het eerste geval heb ik toen met den heer Schiethart gesproken en die zaak is toen op het stadhuis onderzocht.
V
Hebt gij nog geene gunstige uitwerking opgemerkt van de nieuwe regeling, waarbij het vaste traktement voor de vroedvrouwen is verlaagd en voor iedere bevalling eene beloning wordt toegekend?
A
Neen.
V
De Heer van Alphen: Komt gij ook in aanraking met besmettelijke zieken, of zorgt gij, dat die onmiddellijk ui hunne woning geëvacueerd worden?
A
Ik bezoek ook wel besmettelijke zieken, want in den regel geven zij de voorkeur aan hunne benauwde woningen boven het stadsziekenhuis.
V
Komt het nog wel voor, dat er kribben zijn aangebracht in de bedsteden, waarin man en vrouw slapen?
A
Zeker, somtijds zelfs één aan het voeten- en één aan het hoofdeinde.
V
De Heer Reeling Brouwer: Hebt gij eenige opleiding gehad in het verplegen van kleine kinderen?
A
Alleen in het diaconessenhuis.
V
Is het dikwijls uwe taak?
A
Niet dikwijls.
V
Hebben zij meest een baker?
A
Ja, of anders helpt de buurvrouw.
V
De Heer van Wijck: Past gij wel eens lang achtereen een zieke op?
A
Zeker, bijvoorbeeld teringlijders somtijds maanden lang, en dan ga ik er, wanneer de toestand vermindert, somtijds drie- of viermaal daags heen.
V
Dan zal uwe taak op die wijze wel eens zeer zwaar worden?
A
Zeker, ik heb dan ook wel eens het gevoel, alsof ik de dingen maar ten halve doe, omdat ik nog veel meer bij de menschen moest zijn en werken. Het gebeurt heel vaak, dat ik zeg: je moet er uit, en dat zij dan op kosten van de wijkvereeniging worden vervoerd.
V
De voorzitter: Gij hebt herhaaldelijk gesproken van het veelvuldig gebruik van sterken drank. Wordt in kruideniers- en andere winkel sterke drank bij het glas verkocht?
A
Niet bij het glas, wel bij de maat.
V
Hebt gij in Klarendal iets bespeurd van een onderzoek, vóór eenige tijd door de politie gehouden naar den clandestienen verkoop van sterken drank?
A
Neen.

Vraaggesprek met Zuster Pietje Droste, wijkdiacones te Arnhem met de leden van de commissie, die bestond uit de volgende personen: J.D. Veegens (voorzitter), van Alphen, N. Reeling Brouwer, O.Q. van Swinderen, S.M. van Wijck en P. van Nispen (Adj. secretaris)

Bron vraaggesprek: 100 jaar Hervormd Diaconnessenhuis Arnhem