Doortje van Galen.

Ik ben in 1940 in de Westpeterstraat nummer 29 komen wonen, daar sliepen we toen nog in de bedstee. Op de hoek van de Peterstraten had je tot 1972 melkboer Dahles, waar wij als kind tot vervelens toe om het plastic, wat om de korteloze kaas zat, aan het schooien waren. Want dan had je kauwgom.
Ik herinner me ook nog de winkels op de Klarendalseweg: het kleine slagerijtje "de Molen", daarnaast de sigarettenboer,  "het Witte Huis" (huishoudelijke artikelen). Verderop  was een winkel met een stoepje, een drogist of zo. Als kind kocht ik daar trinose. Dat was een soort poeder en dat werd een kleverige bal in je mond.
Aan de overkant op nummer 481, op de hoek van de Paulstraat zat Brandsma. Dat was een klein kereltje, hij verkocht snoep. Verder naar onderen op 486 zat Staal, de kapper. Op nummer 488
't Sunneke met manufacturen. Daarnaast op de hoek had je een sigarettenwinkel.
En niet te vergeten
Schuijt van de stencils. Menig woensdagmiddag heb ik daar door gebracht.  Aan de overkant had je Albert Heijn op de hoek van de Oostpeterstraat. Kinderen vroegen op het einde van dag om het afsnijsel van de vleeswaren. Alles zat doorelkaar: leverworst, bloedworst en lekker dat je het vond.
Menig ijzertje onder mijn schoenen laten zetten bij Both, de schoenmaker. Geen zool meer onder de schoen, dat maakte niks uit. Als het maar klikte. Een andere  winkel die ik me nog herinner is "De Katoenbaal" tegenover de Ludgerusschool.

We maakten zelf ballen: een prop papier, daaromheen dunne reepjes binnenband van een fiets. In 1950 zijn we in de Oostpeterstraat nummer 37 gaan wonen in het ouderlijk huis van Sjoukje Verhaar. Daar had je ook een bakkerijtje van mensen die uit Friesland kwamen. Zij hadden twee zoons, de ene heette Jelle en de andere Hommie.
Ik heb een hele fijne jeugd gehad, toen hoorde je de mensen nog fluiten. Mijn schooltijd was op de St. Catharina school, in de Johannastraat met Koosje Scholten, Graadje Warbroek, Diny van Londen, Truusje Driesen, Kathrien Pelkman en Marietje de Boer. Marietje verhuisde als een van de eerste van Klarendal naar Presikhaaf.

In klas acht hadden we juffrouw Brunen. Als meisje van veertien ging ik bij Abbas werken, heb daar nog veertien jaar gewerkt met Diny Visser, Hennie Krol uit Ede, en Willie Helders.
Willie en ik hadden in die tijd een beetje verkering. Willie met Pietje Meier en ik met Tonnie Klein, een schoenmaker uit de winkelgalerij op de Sonsbeeksingel. Het was de tijd van Pat Boon, little Richard, Elvis, Fats Domino, wat een muziek, ik luister er nog altijd graag naar.

De tien platenwisselaar kwam er, de buurvrouw draaide tien platen en dan wij, dat was swingen voor de deur. Ik trouwde in 1964 en kreeg ook een huis in de Oostpeterstraat nummer 3.
Als Woutje Slangenwal en Corry van Vlaanderen op stap waren geweest werd je wel eens wakker midden in de nacht van hun gezang, die konden zo lekker zingen.

Kort en krachtig: Klarendal is en blijft mijn wijk.


------

Hieronder de verhalen van Doortje die in de wijkkrant van Klarendal zijn gepubliceerd.



Sinterklaas

Wij woonden vroeger in een klein huisje in de West-Peterstraat, naast het voormalige badhuis. Mijn vader, moeder, vier broers en zussen en ik. Veel geld was er niet, maar gezelligheid des te meer. Na de oorlog klopte mijn oma uit Utrecht aan. Ze had onderdak nodig, samen met een tante en nog wat kinderen... Die konden er ook nog wel bij, vonden mijn ouders. Als we soep aten, leenden we gewoon lepels bij de buren. En de kinderen zaten voortaan op de trap te eten.
Hoewel we arm waren, vierden we wel Sinterklaas. Eén keer kwam hij ook echt langs. Een lange man man met een tafelkleed om. Ik keek en riep: 'Jij bent ome Karel! Ik zie het aan je strotje!' Hij had namelijk een enorme adamsappel. Daar was er maar één van! Mijn moeder kocht cadeautjes voor ons. Ze kon niet zo goed met geld omgaan, dus ze sloot een lening af en ging naar de Bokser aan de Klarendalseweg (nu een schuimrubberwinkel red.). Daar kocht ze allemaal kleine dingetjes en legde die 's avonds laat op tafel. De volgende morgen mochten we ze uitpakken.

Het was lang niet zo'n luxe als nu. Na de oorlog was er zelfs helemaal geen speelgoed. Als je een stukje touw vond, was je de koning te rijk. Dan zochten we twee blikken en kon je bliklopen! Of ik ging naar de viswinkel, waar de winkelier zijn kisten schoon spoot en liet drogen. Daar kwamen van die mooie, gekleurde bromvliegen op af. Deed ik een draadje aan een pootje en rondvliegen maar. Ook ballen maakten we zelf. Van een prop papier en smalle repen fietsband er omheen. Àls je al een oude fietsband had. Want bijna alles werd gebruikt of belandde in de kachel. Oude schoenen, aardappelschillen, het maakte niet uit. De prullenbakjes waren in die dagen erg klein.

Als kind leefde je in die tijd veel meer op straat. En als je thuis was, hing je boven uit het raam, om te kijken waar iets te beleven was. Ons huis lag aan een plein, dus eerste rang. Mijn moeder zei wel eens: er hoeft maar een luis over de lepel te lopen of jullie weten het. En zo was het. Bijvoorbeeld als Van Dalen van de ijssalon aan de Hommelseweg zijn kist vol opgespaarde met gebroken wafels wegdeed. Die zette hij bij de boom bovenaan de Lanbouwstraat. Dan vlogen alle kinderen uit de buurt er op af met een pan of een vergiet. Die stopten ze vol en ging mee naar huis. Was er de week iets lekkers te snoepen.
Een fiets was ook een luxe in die tijd. Mijn vader had er één en soms mochten we daarop rijden. Dan kroop je onder de stang en hield je de fiets een beetje schuin. Zo kon je toch vooruit komen. En anders moest je een fiets huren. Toen mijn vriendin en ik voor het eerst gingen werken, wilden we ons eerste weekloon op een leuke manier presenteren aan onze ouders. We waren best trots natuurlijk, als veertienjarigen. Het plan was een bakfiets te huren en daar ons loonzakje op te leggen en zo naar huis te brengen. Toen we hoorden hoeveel dat zou kosten, vonden we het toch wel een duur grapje. Dat durfden we niet. Maar we hebben er wel veel lol om gehad!

------

De liefde

In mijn kindertijd speelde het leven zich veel op straat af. Buiten spelen, de buurt afstruinen, op zoek naar nieuwtjes... Je speelde met jongens en meisjes. Daar dacht je niet over na. Wel was ik me er altijd bewust van wat ‘netjes’was en wat niet. Door de nonnen op school was ik misschien zelfs wel een beetje preuts geworden, haha. Mijn bloesjes knoopte ik tot bovenaan dicht. Ook al vroegen familieleden zich af of dat niet wat warm was: die kraag bleef dicht.
Waar de kinderen vandaan kwamen was lange tijd een groot geheim. Van seksuele voorlichting was natuurlijk geen sprake. Met alle rare gedachten van dien. Zo ving ik eens een gesprekje op; het ging over een vrouw uit de buurt. “Die krijgt nog een kind voor een kop koffie”, zei iemand. ‘Wat!?’, dacht ik in paniek. ‘Kun je van koffie kinderen krijgen?’ Dat zou ik dus mooi niet gaan drinken. En toen ik eenmaal via-via hoorde hoe de kinderen op de wereld kwamen was ik best geschrokken. Mijn moeder bekeek opeens met hèèl andere ogen… 

Bioscoopbroek
  
Hoewel ik misschien niet zo met jongens bezig was, zij waren dat soms wel met mij. Bij mijn oma – ze woonde in de stad - was bijvoorbeeld een jongen in de straat en die had een oogje op me. Na een bezoekje aan oma, wilde hij wel een stukje met me meelopen. Ik zocht er niks achter. Tot hij vroeg of  ik mijn hand eens in zijn broekzak wilde steken… ‘Hoezo?’, dacht ik nog en deed het vervolgens. Had ie toch een zogenaamde bioscoopbroek aan! Ik schrok me dood. Want bij zo’n broek is de binnenzak kapot, dus ik kon zijn ‘ding’ zeg maar, voelen. Waarom zo’n broek zo heette weet ik eigenlijk niet. Waarschijnlijk leuk voor verliefde stelletjes die samen naar de film gaan? Ik als elfjarige vond het maar niks. 
Mijn eerste vriendje kwam toen ik op het naaiatelier van de Abbas werkte, aan het begin van de Velperweg. Die jongen hielp zijn vader mee in de winkel op de Sonsbeeksingel. Elke middagpauze die ik had, rende ik dan snel even op en neer om hem te zien. Beetje handje vasthouden, zoentje geven ... Best onschuldig. Het was geen blijvertje. Daarna beleefde ik wat ‘avonturen’. Zo kwamen er in de jaren vijftig Duitsers naar Nederland. Die wilden ook wel wat vertier en gingen op zoek naar de meiden. Mijn vriendin Tonny had geregeld dat we een groepje van die jongens zouden opzoeken op de camping bij Warnsborn. Zij wist waar het was, dus samen op de solex ploften we erheen. Mooi uitgedost en zo, ik met mijn gouden schoentjes aan. Gewoon voor de gezelligheid, dacht ik. Maar daar dachten die jongens anders over. Toen eenmaal duidelijk werd wat de bedoeling was, wilde ik maar een ding: wegwezen.

IJssalon
Uiteindelijk kwam ik in Klarendal de vriend van een neef tegen. Hij was zestien en woonde op de Solostraat. We kwamen elkaar zo nu en dan tegen en raakten aan de praat. Dat we elkaar leuk vonden was duidelijk- maar hòe leuk- dat was nog de ongewisse vraag… Een voorval in ijssalon Dolomiti aan de Klarendalseweg hielp wel mee. Ik zat daar met een groepje meiden een ijsje te eten en er hingen wat Hongaren rond in die tent. Mijn Klarendalse jongen zag dat en vond het maar niks. Uiteindelijk belandde zijn wafel met ijs en slagroom boven op het hoofd van één van die Hongaren, echt waar. Hij moest zich even laten gelden als jongen en stiekem kon ik dat wel waarderen, hihi. Theo –ik noemde hem al snel Ted - en ik kregen later verkering en weet je: we trouwden en zijn nog steeds samen!

------

Zoute haring & smeerkaas

Vroeger kochten veel mensen in Klarendal hun boodschappen op de pof. Alles werd in het pofboekje opgeschreven en op zaterdag, als het weekloon binnen was, betaald. Waarna weer meteen een nieuwe bladzijde aanbrak natuurlijk. Aan het plein waar wij woonden, zaten een melkboer en een groenteboer. Daar kon je terecht voor een half pakje boter, een pintje melk of voor een dubbeltje azijn. Het was maar net hoeveel geld er thuis was. Ik kan me niet herinneren dat wij geen eten hadden, maar droog brood heb ik wel op, hoor. Om mijn moeder te helpen, had ik een keer een tomaat gestolen bij de groenteboer. Maar toen ze erachter kwam, moest ik hem meteen gaan terugbrengen. Natuurlijk vond ze stelen niet oké, maar ze was ook bang dat we anders niet meer mochten poffen bij hem. Want stel je voor dat hij het gezien had…
Er waren ook winkels waar je als kind  wij nooit kwam. De Jamin bijvoorbeeld. Die zat onderaan de Hommelseweg bij de Sonsbeeksingel, waar nu bloemenwinkel De Lente zit. Dat was echt te hoog gegrepen voor ons. Je kon er alleen maar van dromen om dààr binnen te komen. En op de Hommelse markt had je elke week een snoepkraam met van die mooie, grote, gekleurde lolly’s…Kon ik echt naar gaan staan kijken.
Toen ik eenmaal wat centjes kon bijverdienen, kocht ik echter geen zoetigheid. Ik ging naar de haringkar van Herman Smaak! Tussen de volwassen mannen stond ik dan een zoute haring te happen, onder de Hommelse Poort. Dat namen ze me niet meer af. En weet je wat ik ook zo lekker vond? Smeerkaas. Dat hadden we thuis nooit. Dan kocht ik een kuipje bij de melkboer en lepelde dat helemaal leeg. Heerlijk.
Ik verdiende dat geld door boodschappen te doen voor anderen. Een zakje kolen halen bijvoorbeeld. Of ik ging naar de kredietbank op de Catharinaplaats in de stad, om schulden af te lossen voor anderen. Had ik een paar kredietboekjes bij me met daarin het geld dat afgelost moest worden. Als ik dan terugkwam kreeg ik een dubbeltje of zo van iedereen.
Er was ook één ‘lekkernij’ en die kostte ons helemaal niets: kauwgom. De melkboer verkocht in die tijd korstloze kaas en daar zat plastic om heen. Op dat plastic zat weer een laagje lijm. Als het plastic werd weggegooid, schooiden we er gewoon om. Net als bij de voetbalplaatjes nu, haha. Thuis haalden we de lijm eraf en staken die in onze mond. Even kauwen en je had zowaar een bolletje gom.

------

Mode

Als kind wist je wel wat je mooi vond qua kleding, maar het geld bepaalde wat je droeg. En meestal was dat hetgeen je moeder kreeg van derden. Vlak na de oorlog was dat tweedehands kleding uit Engeland. Zo kwam ik in het bezit van een soort paardrijbroek; ik herinner me het me nog goed. Hij was grijs, had stoffen klepjes voor over de schoenen en onderaan de pijpen zaten allemaal kleine knoopjes. Als vijfjarige vond ik ‘m heel bijzonder. Wie had nou zo’n broek? Jaren later was ik dol op de trainingsbroek van mijn zusje, die vier jaar jonger was. Hoewel het kruis wat laag zat, had ik ‘m graag aan bij het spelen. In die tijd droeg je als meisje altijd rokken en moest je oppassen of je onderbroek niet tevoorschijn kwam, als je viel of zo. Met zo’n broek was dat geen probleem.
Mijn vriendin Jopie was enig kind en bij haar thuis hadden ze het iets breder. Zij had bijvoorbeeld leren laarzen. Toen die te klein waren, vroeg haar moeder of wij die niet wilden overnemen. Nou, ik wilde dat wel! Maar de kinderbijslag was nog niet binnen. Die datum kwam in zicht, maar mijn moeder begon zich te bedenken. Kon ik toch niet beter rubber laarzen nemen? Wat moest je nou met lèren laarzen? Het geld kwam en ja hoor: ik moest naar Van Haren op de Akkerstraat en kreeg van die zweetdingen. Maar ja, het spaarde geld, hè?
Toen ik veertien werd, ging ik zelf werken. Op het naaiatelier van de Abas op de Velperweg. Elke week kreeg ik elf gulden en daar moest ik natuurlijk kostgeld van betalen thuis. Tot mijn vader ‘promotie’maakte bij zijn baas. Nou, toen groeiden de rozen op de schoenen! En hoefde ik ook niet meer zoveel geld af te dragen. Ik weet nog het eerste bloesje dat ik kocht: hij was wit, met een dun groen streepje, had aangeknipte mouwtjes en een reverskraagje. Gekocht bij de C&A in de stad.
Ik begon ook zelf kleding te maken. Op de oude trapnaaimachine van mijn moeder. Een bekende nam wel eens wat monsterlapjes mee en dan bedacht ik zelf een patroon, gewoon uit mijn hoofd. En maar passen tot het goed zat. Dit was toch even iets anders dan de zakken die ik altijd in de fabriek aan het stikken was. Af en toe liet ik iets naaien bij een vrouw die in onze straat woonde. Zij was van oorsprong boerin en kon ontzettend goed handwerken. Toen de wijde rokken in de mode kwamen, heb ik eens vier meter paarse stof gekocht en zij maakte er een hele wijde rok van van, met een bovenstukje en banden. Helemaal hip toen.
Breien deed ik later ook. Hele mantelpakjes kwamen er van die naalden. Rokjes met ingebreide coupenaden, bijpassende vestjes… Als je het later niet meer mooi vond, haalde je de wol uit. Die draaide je om de leuning van de stoel en de strengen die zo ontstonden, waste je. Was de wol weer lekker fris en zonder golfjes. Kon je weer iets nieuws breien.
Toen ik ging trouwen kocht ik zelf een handnaaimachine. Nee, de bruidsjurk heb ik niet zelf gemaakt. Die kwam bij Berrevoets vandaan. Een mooie witte van kant, met een boothals en wijde rok tot onder de knie. Mijn vriendin was vlak daarvoor getrouwd en als meid ga je toch vergelijken. En gelukkig, ik vond die jurk van mij echt de mooiste. Nee, ik heb hem niet bewaard. Een collegaatje moest vlak daarna trouwen – een zogenaamd ‘moetje’- en had een jurk nodig. Voor twintig gulden, heb ik hem verkocht.

------

Communiejurk

Vroeger was bijna iedereen katholiek in Klarendal. Mijn ouders ook. Ze gingen niet naar de kerk, maar lieten hun kinderen wel dopen en stuurden ons naar een katholieke school. Dat hoorde nu eenmaal zo. Ik moest naar de Catharinaschool, een meisjesschool in de Johannastraat. Onze dagelijkse missen waren in de Sint Janskerk, met één keer per maand op vrijdag de aanbidding van het heilig hartbeeld. Wij stonden dan rond dat grote beeld van Jezus te bidden en te zingen. Daarna moesten we weer naar school, waar we ons in rijen langs de trap opstelden. Eén van de nonnen liep de treden op als een soort koningin, haar gezicht verborgen achter de witte punten van haar kap. Nog ik hoor ik het ruizen van haar zwarte gewaad.
De eerste paar jaar hadden we ook les van nonnen. Taal en rekenen, na een gebed natuurlijk, en de handwerkzuster leerde ons breien. Dat kwam goed uit, want voor de zwemles hadden we allemaal een badpak nodig. Ik herinner me nog de eerste keer dat ik met dat ding uit het water kwam. Het kruis hing op mijn kuiten! En dat kwam echt niet omdat ik ‘m wat los gebreid had.
Catechismus kregen we van een man die -in mijn herinnering- altijd in het zwart liep, een sigaar in zijn mond had en een dikke buik. Hij bracht ons godvruchtigheid bij en dat heeft me  bange momenten bezorgd….
Zo moest ik een keer naar de ochtendmis. Mijn moeder had me brood en koude thee meegegeven. Dat mocht je pas opeten na de mis, want je was alleen ontvankelijk voor Jezus op een lege maag. Alleen: toen ik bij de kerk kwam, zag ik helemaal geen klasgenootjes. ‘Ze zijn vast al binnen’, zei ik tegen mezelf en begon mijn brood op te eten. Tot ik opeens bekenden aan zag komen lopen. De mis moest dus nog beginnen en ik had mijn brood al op! Ik durfde niks te zeggen en ging toch ter communie. Dat was een doodszonde had ik geleerd. Die avond kon ik niet slapen, zo bang was ik dat God iets voor mij in petto had.
Biechten vond ik ook al zo vervelend. Want wat deed je als kind nou verkeerd? Ik verzon meestal maar iets; zei dat ik thuis een snoepje had gepikt. Ook al was er in ons hele huis geen snoepje te vinden.
De communie leek me als elfjarige daarentegen wel leuk, maar bleek ook al geen feest. Van de kerk mocht ik een jurk uitzoeken, want die konden mijn ouders niet betalen. Ik ging met mijn moeder naar een winkel aan het Jansplein. Het werd een beige jurk van dunne bobbeltjesstof – everglace genaamd- en ik vond ‘m zòòò lelijk. Moest gewoon huilen toen ik dat ding aan moest. Eén traan viel die dag op de jurk en - geloof het of niet- die is er nooit meer uitgegaan. 


------
 

Cowboyliedjes

 

In Klarendal speelde je als kind meestal op straat. Het was binnen gewoon te klein. Voor ons eigen huis vermaakten we ons prima. We speelden met de tol, blikken bussen of deden zelfbedachte spelletjes, zoals puttenkrijgertje. Er was nog bijna geen verkeer, dus als er eens een auto kwam was dat erg wennen…. Ik herinner me dat mijn broer een keer bijna werd aangereden. Hij had zich verstopt een grote kartonnen doos, midden op straat. Die toen nog zeldzame automobilist wist van niks en reed op die doos af. Mijn broer verwachtte geen auto en bleef gewoon zitten. Wij kinderen zagen het van de kant af gebeuren en begonnen te roepen en rennen natuurlijk. Zo liep het toch nog goed af.

Heel soms ging je wel eens wat verder weg, naar de Vijverwijk bijvoorbeeld, onderaan de Rosendaalsestraat. Of het Ronde Weitje in Sonsbeekpark. Met een groepje kinderen vertrokken we dan, zonder volwassenen erbij. Die hadden geen tijd om mee te gaan, joh. Wel kregen we een fles koude thee mee en brood. In het bos speelden we vadertje en moedertje. Van bladeren legden we eerst een soort plattegrond van een huis neer. Zo kreeg je kamers waar je in en uit liep, als in een toneelstuk. Vervolgens zei je – als je de moeder was- dan de dingen die je je moeder ook hoorde zeggen tegen je vader en de kinderen. Zo ging dat toch een beetje? En als er jongens meegingen naar het bos, veranderde het spel al snel in doktertje spelen. Dat was nu eenmaal zo.

Op straat was altijd wel vertier te vinden. Mensen die voor hun huis gitaar speelden, of mondharmonica. In de Noord-Peterstraat woonde Woutje Slangenwal en die kon zò mooi blazen! Mijn vriendin Jopie en ik zongen vaak cowboyliedjes met hem mee.

De volwassenen zaten op straat te kaarten met elkaar. Sommigen voelden zich nog net ‘jong’ genoeg en deden wel eens mee met bokspringen. De scheidslijn in leeftijd lag niet zo strak. Waar wat te beleven was, ging je heen. Van mijn moeder moesten we echter wel op tijd naar bed. Om zeven lagen mijn twee broertjes, mijn zus en ik, in de nok van het dak. Elk stel in een tweepersoonsbed. De allerkleinste lag tussen mijn ouders in. Omdat we zo vroeg er in lagen, waren we ook vroeg wakker. Om vijf uur. Voor ons was dat geen probleem. Maar de buurman… Die was niet altijd blij met ons.

 

------

Konijnensoep

Met kerstmis stond er bij ons konijnensoep op het menu. Mijn vader slachtte zelf het konijn voor de soep. Geen idee hoe hij daar aan kwam. Stropen, denk ik. Of er kwam opeens iemand aan de deur met een konijn te koop. Dat was normaal toen. We aten ook wel eens soep met  vlees dat we niet kenden. Totdat iemand aan tafel opeens ‘miauw’ zei. Dan wisten wij ook wel weer hoe laat het was. Duivensoep hebben we ook wel eens gegeten...
Mijn vader doodde het konijn zelf en dan kwam het in onze kleine huiskamer te hangen. Twee pootjes werden bij elkaar gebonden, waarna mijn vader hem ‘de jas’ uittrok. “Hij heeft het warm” zei hij dan. Daarna spijkerde papa het konijn aan de buitendeur en ritste hem open. Ik vond het mooi als het ‘kralensnoer’ eruit kwam. Dat waren de darmen, die nog vol keuteltjes zaten. Zo mooi. Net een parelketting, vond ik als kind.
Van het kopje, de niertjes en het levertje kookte mijn moeder een lekkere vette soep. Ik hield van kluiven en mocht het kopje hebben, met de tandjes en de hersentjes er nog in. Dat klinkt nu een beetje vies, maar we aten vroeger bijvoorbeeld ook gebakken nier en koeientit... Ik zou het nu niet meer lusten misschien, maar toen! Joh, ik heb mijn oom zelfs een keer een gekookte ‘keujeskop’ zien eten. Ik vergeet dat beeld nooit meer. Zijn gezicht verdween er gewoon in.
Het was gewoon niet breed in die tijd. Als kind word je dan creatief. Ik at bijvoorbeeld schuifkaas. Dat kon je nergens kopen. Je nam vier boterhammen en legde je éne plakje kaas  op het eerste sneetje brood. Dan ging je zitten kijken en nadenken. Ga ik hem nu opeten of straks? En dan schoof je hem door naar de volgende boterham. En zo bleef je schuiven tot de laatste boterham. Had je voor je gevoel toch vier keer kaas gehad!
Maar even terug naar ons kerstmaal. Bij de konijnensoep aten we rode kool, gekookte piepers en appelmoes. Daarna kwam er gele en bruine vla op tafel. Dat hele maal vonden wij thuis zò lekker! Daar kan nu niks meer tegenop.
Tot slot kregen we chocolademelk uit de grote pan die op de kachel stond. We zaten bij de kerstboom-met-echte-kaarsjes (emmer water met dweil ernaast!) en luisterden naar radio Davos. Daar kwam het programma ‘Groeten uit Davos’. Nederlandse TBC-patiënten deden de groeten deden aan thuis. Mijn ouders vonden dat zo mooi; ze zaten soms tranen in hun ogen.’  

------

De fabriek

Zoals de meeste kinderen, moest ik rond mijn veertiende gaan werken. Na lagere school en  huishoudschool, werd het confectiefabriek Abas. Mijn moeder had me zeven weken van tevoren opgegeven, want dan verdiende ik zeven keer een tientje extra. Op die manier probeerde de fabriek personeel aan te trekken.
Ik begon in een atelierklasje met zo’n twaalf meisjes van mijn leeftijd. Vriendin Jopie zat er ook. Het was gezellig. Omdat de naaimachine abacadabra was, moesten we die eerst leren inspannen. Daarna oefenden we in zakken naaien: borstzakken, klepzakken en gepaspeleerde zakken.
Op een dag kwam er een man uit de fabriek. Hij had een meisje nodig op de werkvloer. De meester pikte mij eruit. Mijn wereld stond stil. Ik kwam als kind opeens in een grote hal, vol volwassenen die achter honderden industriële naaimachines zaten gebogen. Kun je het je voorstellen, dat geluid? Als de fluit blies voor de schaft, ging ik snel terug naar de meiden van mijn klasje, maar van spanning kreeg ik geen hap door mijn keel. Mijn moeder maakte zich zorgen. Er bleef te veel over in mijn broodtuutje. Gelukkig kwamen er later meer meiden naar de werkvloer en leerde ik de techniek snel. Dat gaf me zekerheid. Mijn weekloon - f 11,20 met de zaterdagochtend erbij - ging over in stukloon. Ik spaarde voortaan opdrachtbonnetjes  en leverde die op zaterdag in. Toen een collegaatje ging trouwen en de fabriek verliet, mocht ik haar plek innemen. Opeens kwam ze weer terug, gescheiden… De hoge bazen riepen me bij zich en vroegen of ik mijn plek wilde afstaan. Dat wilde ik niet, ik was goed in ‘borstzakken’ geworden! Maar hoe zei je dat tegen een chef? In de zak van mijn schort zat zo’n opdrachtbonnetje en dat hield ik stijf vast. Alsof  het kracht gaf. ‘Nee’, zei ik in alle oprechtheid en met het zweet op mijn rug waarschijnlijk, want wie sprak nou een hoger geplaatste tegen? Mijn moed werd beloond en ik mocht mijn plaatsje houden.
Het was een leuke tijd bij Abas. Op de dag voor de zomersluiting van de fabriek, nam iedereen –vraag me niet waarom- drop mee. Dat deelde je uit aan elkaar. Al kauwende zat ik achter mijn naaimachine en de stemming zat er goed in. We lachten veel en opeens schoot mijn dropje uit mijn mond. Ik begon te zoeken op de grond, rondom de machine, maar kon niks vinden. Ik ging weer verder met naaien en werd na de vakantie naar achteren geroepen. Dan was er iets aan de hand... De rijen naaisters waar je tussendoor moest lopen wisten dat. Je zag ze smiespelen. Wat bleek nou? Dat dropje dat ik kwijt was, had ik in een borstzak gestikt. De kledingpers was zwart en het voorpand kon weggegooid worden. Gelukkig bleef het bij een uitbrander.
Toch wilde ik na dertien jaar wel eens iets anders proberen. Huishoudelijk werk lag me niet  en de poetsdoekenfabriek aan de Amsterdamseweg zag ik niet zitten. Het werd wasserij Olderaan op de Schaapsdrift. Daar deden ze de was voor tehuizen en ziekenhuizen. Het was zwaar lichamelijk werk. In de zomer werd het soms 48 °C  en ‘s winters groeiden de ijspegels aan je vingers. Toiletbezoek mocht maar twee minuten duren. Dan ging het licht automatisch uit. Die hardere sfeer zorgde wel voor saamhorigheid. Je sleept elkaar er doorheen. Heb er 23 jaar met plezier gewerkt. Aan de mangel. Net als mijn moeder en op haar beurt weer haar moeder daar stond. Drie generaties stonden achtereenvolgens op dezelfde plek.“